Het einde van de verveling
Vorige week zat ik veertien minuten in een wachtkamer, en ik kan u niet vertellen waar ik aan dacht. Niet omdat ik het vergeten ben. Maar omdat ik geen moment heb nagedacht. Ik heb gescrold. Ik heb een taalmodel gevraagd om een probleem op te lossen dat helemaal niet dringend was, gewoon om iets om handen te hebben. Ik heb een spelletje gespeeld dat er speciaal voor mij, ter plekke, gegenereerd werd. Veertien minuten leegte, en elke seconde daarvan gevuld tot de rand.
Veertien minuten leegte die niet leeg waren
Vroeger zou ik in die wachtkamer hebben zitten staren. Naar een poster over griepvaccinaties, naar de vloertegels, naar niets. En in dat staren zou er iets zijn gebeurd waar ik geen naam voor had, maar dat ik nu wel kan benoemen: mijn gedachten zouden zijn gaan dwalen. Niet gestuurd. Niet op verzoek. Gewoon vanzelf, ongevraagd, de kant op die ze zelf kozen. Soms naar een vervelend gesprek dat ik nog moest voeren. Soms naar een idee voor iets dat niets met de wachtkamer te maken had. Die veertien minuten leegte waren niet leeg. Ze waren de enige tijd op de hele dag waarin niemand, ook ikzelf niet, mijn aandacht ergens naartoe stuurde.
Die tijd bestaat niet meer. En ik denk dat we, in alle terechte discussies over banen en desinformatie en auteursrecht, over het hoofd zien dat dit misschien wel de stilste, diepste verandering is die AI teweegbrengt: ze maakt verveling overbodig. Voor het eerst in de geschiedenis van onze soort hoeft geen mens meer, ook maar heel even, niets te doen.
Wat een kind leert van verveling
Laat me u een scenario schetsen, en ik denk dat u het herkent, of het nu al zo is of over een paar jaar zo zal zijn. Een vader, laten we hem Daan noemen, rijdt met zijn dochter van acht naar haar oma, twee uur over de snelweg. Vroeger was dat het moment waarop kinderen uit het raam staarden, wolken natekenden, ruzie maakten over niets, en op een gegeven moment, ergens na drieëndertig minuten, hardop klaagden dat ze zich vervéélden. En precies op dát punt, vertellen ontwikkelingspsychologen ons al jaren, gebeurt er iets waardevols. Het kind gaat, gedwongen door de leegte, zelf iets verzinnen. Een spel met de vingers. Een verhaal met de wolken als personages. Niemand geeft het kind dat verhaal. Het kind moet het zelf bouwen, uit niets, omdat er niets anders is.
Daans dochter zegt tegenwoordig nooit meer dat ze zich verveelt. Ze praat tegen het schermpje in de hoofdsteun, en het schermpje genereert, in real time, een verhaal precies op maat van haar leeftijd, haar interesses, haar humor. Een draak die net zo grappig is als zij dat prettig vindt. Een einde dat precies op tijd komt voordat ze zou afhaken. Geen twee ritten zijn ooit hetzelfde verhaal, dus er is ook geen moment van herkenning, geen "dit ken ik al", geen aanleiding om zelf iets te verzinnen omdat het aanbod is opgedroogd. Het aanbod droogt nooit op. Dat is precies het verschil met de televisie in de auto van dertig jaar geleden, of het spelcomputertje daarna: die hadden een eind. Op een gegeven moment kende je alle personages, alle levels, alle grappen, en sloeg de verveling toch weer toe, ondanks het scherm. AI heeft dat laatste vangnet weggehaald. Er is altijd meer. Er is altijd nieuw. De leegte waarin een kind ooit zijn eigen verbeelding moest optuigen, wordt nu voor hem ingevuld, oneindig, gratis, on demand.
Onderzoekers in Engeland ontdekten een jaar of tien geleden iets dat toen nogal tegen de intuïtie inging: mensen die eerst een kwartier lang een oersaaie taak moesten doen — denk aan het overschrijven van telefoonnummers uit een telefoonboek — kwamen daarna met significant meer en originelere ideeën in een creatieve opdracht dan mensen die meteen mochten beginnen. Verveling, zo bleek, is geen storing in het systeem. Het is de opstart van iets. Het brein dat niets extern te verwerken heeft, gaat vanzelf naar binnen, legt onverwachte verbanden, mengt herinneringen die anders nooit met elkaar in contact waren gekomen. Dat proces heeft een voorwaarde, en die voorwaarde is simpel en radicaal: er moet niets te doen zijn. Geen prikkel. Geen aanbod. Niets.
Een stil verlies
En dat is precies wat er verdwijnt. Niet omdat iemand het besluit heeft genomen om verveling af te schaffen. Niemand heeft dat besloten. Het is een bijproduct, het stille neveneffect van honderden bedrijven die, ieder voor zich volkomen redelijk, een technologie bouwen die precies dat gat opvult. De wachtkamer, de file, de wachtrij bij de kassa, de laatste minuten voor het slapengaan. Elk moment dat ooit leeg was, wordt nu, met de beste bedoelingen, gevuld. En wat we ervoor terugkrijgen is prettig, meestal. Wat we ervoor inleveren, merken we niet, omdat het geen gebeurtenis is die je kunt aanwijzen. Het is een afwezigheid. Je merkt niet dat een idee er nooit is gekomen. Je merkt niet dat een kind een verhaal nooit zelf heeft moeten verzinnen. Er is niets om te missen, en dat maakt dit verlies bijna onmogelijk te agenderen op een conferentie, in een beleidsstuk, in een ouderavond. Hoe waarschuw je voor iets dat zich voordoet als niets ergs, als comfort, als een kind dat niet meer zeurt in de auto?
Ik zeg niet dat we die technologie moeten laten staan. Ik zeg niet dat verveling heilig is en elke vorm van gemak verdacht. Dat zou net zo'n karikatuur zijn als het omgekeerde. Wat ik wel zeg is dit: verveling was nooit een fout die om een oplossing vroeg. Het was, al die tijd, stille infrastructuur. De ruimte waarin een kind leert zijn eigen verbeelding te vertrouwen in plaats van een aanbod te consumeren. De ruimte waarin een volwassene, wachtend in een spreekkamer, toch nog even bij zichzelf uitkomt. Als we die ruimte laten dichtslibben, geheel per ongeluk, uit pure vriendelijkheid van elke app die ooit iets voor ons wilde invullen, dan verliezen we niet iets spectaculairs. We verliezen iets stils. En stille verliezen zijn de gevaarlijkste, omdat niemand er ooit rouw om draagt.
Laat het leeg
Dus hier is wat ik u vraag, en het is klein, opzettelijk klein, want grote goede voornemens sneuvelen meestal binnen een week. Kies één moment deze week dat u normaal zou vullen. De rij bij de kassa. De vijf minuten voor de trein vertrekt. Het wachten op de koffie. En vul het niet. Geen telefoon, geen taalmodel, geen scherm. Laat het leeg, ongemakkelijk leeg als het moet, en kijk wat uw eigen hoofd daarmee doet als er niemand anders meer is om het te vragen.
Volgende week zit ik weer in een wachtkamer. Deze keer laat ik mijn telefoon in mijn zak.